Opdrachten

Zes opdrachten, één per lesblok. Scrum leert u niet door het te lezen: pas als u
zelf een backlog moet ordenen of een Sprint Goal moet formuleren, merkt u waar het schuurt. Werk
ze uit in één document en lever dat in zoals uw docent aangeeft.

Deze cursus heeft geen originele lesdocumentenAnders dan bij de andere
cursussen op dit platform staan er in deze map geen presentaties of werkbladen: de lesstof is hier
geschreven op basis van de Scrum Guide 2020. De opdrachten hieronder horen bij de lesstof zelf.

Wat elke opdracht moet bevatten

  • Voorpagina met voor- en achternaam, klas, naam van de opdracht en opdrachtgever
  • Inhoudsopgave, automatisch gegenereerd met de kopstijlen van uw tekstverwerker
  • Paginanummering, maar niet op de voorpagina
  • Bronvermelding — verwijs bij Scrum-begrippen naar de Scrum Guide 2020 en noem het
    hoofdstuk
  • De uitgewerkte opdrachten zelf, per opdracht een eigen hoofdstuk
Gebruik één doorlopende casusDe opdrachten 3 tot en met 6 zijn een stuk
leerzamer als u ze op hetzelfde bedachte product toepast. Kies in week 1 iets waar u zelf gebruiker
van bent — een bezorgapp, een roosterprogramma, een webshop voor een vereniging — en houd dat de
hele cursus vol.

Opdracht 1 — Waterval tegen agile

Bij les 1 · onderdeel 1.1 en 1.2

  1. Beschrijf in eigen woorden de fasen van de watervalmethode en noem drie soorten
    projecten waarvoor die aanpak wél passend is. Onderbouw waarom.
  2. Zoek een echt mislukt IT-project (bijvoorbeeld een overheidsproject waar de Rekenkamer
    over rapporteerde). Beschrijf wat er misging en geef per probleem aan welke Scrum-pijler —
    transparantie, inspectie of adaptatie — ontbrak.
  3. Neem de vier waarden van het Agile Manifesto en geef bij elke waarde een voorbeeld uit uw eigen
    schoolwerk of bijbaan waar u het verschil hebt gezien.
  4. Leg in maximaal tien regels uit waarom agile niet betekent dat er geen documentatie en
    geen planning meer is.

Opdracht 2 — Wie doet wat

Bij les 2 · onderdeel 2.1 tot en met 2.4

Hieronder tien situaties. Geef per situatie aan wie hier aan zet is
(Product Owner, Scrum Master, Developers of het hele Scrum Team), wat die persoon doet, en
waarom het niet bij een van de anderen hoort.

  1. De testomgeving ligt al drie dagen plat en de beheerafdeling reageert niet.
  2. Een manager wil halverwege de Sprint een spoedklus laten inschuiven.
  3. Twee belanghebbenden willen allebei hun wens als eerste in de volgende Sprint.
  4. Een Developer werkt al vier dagen aan een taak van een halve dag en zegt elke ochtend “bijna
    klaar”.
  5. Het team weet niet of een item binnen één Sprint past.
  6. De organisatie wil per team een velocity-ranglijst bijhouden.
  7. De Daily Scrum is de afgelopen twee weken elke dag een halfuur geworden.
  8. Er is discussie of “af” ook betekent dat er documentatie is.
  9. Een klant belt een Developer rechtstreeks met een wijziging.
  10. Het Sprint Goal blijkt na een wetswijziging niet meer zinvol.

Opdracht 3 — De Definition of Done

Bij les 3 · onderdeel 3.1 tot en met 3.3

  1. Schrijf voor uw casus een Definition of Done van zes tot tien punten. Elk punt moet
    controleerbaar zijn: “goed getest” is dat niet, “alle unittests groen” wel.
  2. Leg per punt in één zin uit welk probleem het voorkomt.
  3. Maak daarnaast acceptatiecriteria voor één concreet item, en leg uit waarin die
    verschillen van de Definition of Done.
  4. Beschrijf wat er in uw casus gebeurt met een item dat aan het eind van de Sprint voor 80% klaar
    is. Wat gaat waarheen, en wat gebeurt er met de schatting?
  5. Formuleer een Product Goal voor uw casus, in maximaal twee zinnen, en leg uit waaraan u
    zou merken dat u het bereikt hebt.

Opdracht 4 — De Sprint uitgetekend

Bij les 4 · onderdeel 4.1 tot en met 4.5

  1. Maak een kalender van een Sprint van twee weken: zet alle events erin met dag, tijdstip
    en duur. Houd u aan de timeboxen, naar rato van de kortere Sprint.
  2. Noteer per event: wie er verplicht bij is, wie erbij mag zijn, wat het oplevert, en welke pijler
    het bedient.
  3. Schrijf drie Sprint Goals voor uw casus: één goed doel en twee slechte (bijvoorbeeld een
    boodschappenlijstje en een doel dat te vaag is). Leg per stuk uit wat eraan schort.
  4. Beschrijf een situatie waarin u de Sprint zou afbreken. Wie beslist dat, wat gebeurt er
    met het werk dat af is, en wat met de rest?

Opdracht 5 — Een backlog bouwen

Bij les 5 · onderdeel 5.1 tot en met 5.4

  1. Schrijf twaalf user stories voor uw casus in de vorm als – wil ik – zodat, met
    minstens twee verschillende gebruikersrollen.
  2. Toets elke story aan INVEST en noteer per story welke letters knellen.
  3. Neem de grootste story (een epic) en splits hem verticaal in minstens drie
    kleinere. Laat ook zien hoe een horizontale splitsing eruit zou zien en waarom die slechter
    is.
  4. Kies een referentiestory en geef die 3 punten. Schat de overige stories relatief, met de
    Fibonacci-reeks. Doe dit bij voorkeur met twee of drie medestudenten als
    planning poker.
  5. Zet de stories in volgorde alsof u de Product Owner bent, en verantwoord de bovenste drie
    keuzes. Waarom deze, en waarom nu?

Opdracht 6 — De zieke Sprint

Bij les 6 · onderdeel 6.1 tot en met 6.3

Casus. Team Lynx werkt sinds acht maanden “met Scrum”. De Sprints
duren meestal drie weken, maar lopen regelmatig een paar dagen uit “omdat het anders niet af komt”.
De Daily Scrum wordt geleid door de Scrum Master, die daarna de voortgang doorgeeft aan de
afdelingsmanager. De Product Owner is een stuurgroep van drie personen die om de week vergadert.
Testen gebeurt in de laatste twee dagen van de Sprint; lukt dat niet, dan gaat het item toch mee in
de demo met de aantekening “op testen na af”. De retrospective is een halfjaar geleden geschrapt
wegens tijdgebrek. De velocity staat op een groot scherm in de gang, per team.

  1. Benoem minstens zes antipatronen in deze casus. Gebruik de namen uit de les.
  2. Geef per antipatroon aan welke pijler of waarde eronder lijdt, en welk gevolg dat op termijn
    heeft.
  3. Stel een verbeterplan op: welke drie veranderingen zou u als eerste doorvoeren, in welke
    volgorde, en waarom juist die drie eerst?
  4. Team Lynx werkt de helft van de tijd aan onvoorspelbare storingsmeldingen. Zou u dat deel van
    het werk in Scrum houden of naar Kanban verplaatsen? Onderbouw met de verschillen uit
    6.3.
  5. Het product groeit en er komen twee teams bij. Beschrijf wat er gedeeld blijft en wat per team
    apart wordt.

Deze opdrachten horen bij de lesstof van deze trainer en
zijn geen officiële Scrum-certificeringsexamens. Wilt u zich certificeren, kijk dan naar PSM I van
Scrum.org of CSM van de Scrum Alliance; de stof in deze cursus dekt het grootste deel van de
theorie van het eerste niveau.